Scheepvaartmuseum Baasrode

Geschiedenis

Informatie over het verleden van de botters.

Geschiedenis van de botters

De botter

De botter is een typisch vissersvaartuig van de Zuiderzee en van de Noordzee. Het schip heeft een hoogoplopende voorsteven, een bolle kop. Het vlak was in V-vorm gebouwd. Het achterschip was laag gehouden om de netten te bedienen.

Het schip was uitgerust met een bun, een ruim waar het water doorstroomt om de vangst levend te houden.

De botter is een zeilschip met een steekmast (vaste mast), voorzien van grootzeil, fok, kluiver en bezaan. De Zuiderzeebotter was 13,50 meter lang en 4,50 meter breed; de Noordzeebotter was 16 à 17 meter lang en circa 5,20 meter breed.

De Noordzeebotters waren uitgerust met lanen, dit is een verhoogd dek dat de veiligheid van het schip vergroot.

De botters van Baasrode

In 1848 staat minstens één botter geregistreerd in Baasrode: de "Hoop" van Emanuel Lehardy, 31 ton groot.

Joseph De Munter bezat de "Seraphina" (1856), Pierre Verheyen had de "Jongen Isidoor" (1857) en zijn vader Joannes Verheyen de "Jeune Philippe"(1858).

In 1886 werd een botter gebouwd voor Jan De Munter.

In 1888 zijn zeker twee botters gebouwd: de "Rosalie" voor Philippe Verheyen (Jan Verheyen werd er schipper van) en de "Koophandel" voor Isidoor Verheyen.

In 1900 zijn er veertien botters ingeschreven, onder andere schepen voor de families Van Gaever en Joos (bijgenaamd Leijken).

Cesar Van Cleempoel, auteur van het boekje Een beetje geschiedenis van de palingbotters van Baasrode, noemt ook twee botters van de familie met bijnaam Frelles (Sooi, Richard en Piet).

Uit de bestekboeken van de werf Van Damme blijkt ook nog dat er begin jaren negentig nog een aantal botterjachten zijn gebouwd, onder meer voor de heren Laveine en Couperus.

De bouw van een botter

Houten schepen, zoals de Baasroodse botters, werden gebouwd op het zicht. Het was het oog van de meester-scheepsmaker die de lijnen van het schip bepaalde. Het bouwmateriaal was eik en de schepen werden steeds buiten gebouwd.

Men vertrok van een aantal vaste gegevens, lengte, breedte, grootspant. Het allereerste, en zeer voorname werk, was het leggen van de kiel en daarop de voor- en achtersteven met de nodige verbindingsstukken.

Vervolgens werden er een aantal mallen geplaatst, haaks op de kiel, deze gaven de vorm aan van de doorsnee van het schip op de verschillende plaatsen.

De loop van de berghouten was eveneens van groot belang voor het uitzicht en de mooie lijnen van het schip. Dit "uitlijnen" toonde de vakkennis van de meester-scheepsmaker.

Nà het vlak en de wrangen en schotten werden de spanten geplaatst en dan pas de huidgangen. Een volgend werk was het aanbrengen van het "zeilwerk", de mastbank en alle knieën en verstevigingen die daarbij nodig waren.

Achteraf werden de dekken aangebracht en de lanen.

De naden tussen de gangen werden "gekalfaat met werk", de naden op dek werden "gepresend" met presening.

De schepen werden luxueus afgewerkt, het waren immers geen gewone visserschepen maar zogenaamde koopvaarders.

De palingbotters van Baasrode

De palingbotters van Baasrode hebben nooit gevist. Zij hadden dus geen vistuig en geen visnummer. Zij werden enkel gebruikt voor het transport van paling.

Zij vertrokken naar Nederland, naar de Zeeuwse en Zuid-Hollandse wateren en de Biesbosch, waar zij lokale vissers in dienst hadden die voor hen de paling visten met fuiken. De Baasroodse botters deden regelmatig de havens van Willemstad, Moerdijk en Dordrecht aan.

De paling werd in de bun geladen en grondig gecontroleerd op lengte door middel van een houten bakje. Als ondermaatse paling aan boord werd gevonden door Rijkswaterstaat volgde er een fikse boete.

De botters kwamen met een volle bun paling naar huis, met een reeks beunen op sleeptouw. De scheepslading werd verkocht in de vismijn te Baasrode. In 1885 verwerft Armand Verheyen de rechten op de vismijn en op de viskramen.

Na de veiling werd de paling naar de markten gevoerd, vooral naar Aalst, Dendermonde en Brussel. Dit gebeurde hoofdzakelijk per hot op een kruiwagen. In Brussel hadden de Baasroodse palingventers hun vaste stek op de Katelijneplaats.

Later werd de paling vervoerd met een platte wagen naar het station van Dendermonde om dan per trein naar Brussel gevoerd te worden.

Als de aanvoer van paling te groot was, werd er ook op Engeland gevaren.

De oorlogsjaren 1914-1918

Reeds vóór de Eerste Wereldoorlog begon de palinghandel te tanen door de achteruitgang van de kwaliteit van het Scheldewater. Bij het uitbreken van de oorlog, 10 september 1914, vlucht de Baasroodse bottervloot naar Nederland. Alle schepen bereiken Nederland, behalve de botter van Hubert Dooms. Dit schip was nog uitgerust met een steekmast en aangezien de spoorwegbrug van Temse niet meer draaide was het schip gedoemd om terug huiswaarts te keren.

De overige schepen kregen een voorlopige ligplaats in Moerdijk en in Papendrecht. In de laatste oorlogsjaren zijn de botters ook gebruikt als vrachtschepen, vooral voor het vervoer van stortsteen, dit tot grote ergernis van de lokale vloot. De Baasroodse schippers werden daarom met argwaan bekeken bij onze Noorderburen. Zij werden immers beschouwd als concurrenten.

Na de wapenstilstand zijn slechts vier botters naar Baasrode teruggekeerd, onder andere de "Rosalie" en de "Koophandel".

In 1919 werd de Schelde op korte termijn weer zodanig vervuild dat de schippers genoodzaakt waren de paling uit de bun te scheppen en te bewaren in manden onder de lanen. In Baasrode werd hij overgeschept in Brabantse boten en via een sluis op de eerste goot gestockeerd.

De laatste botter verdween in 1925. Het Scheldewater mocht toen beschouwd worden als totaal dood.

Scheepvaartmuseum Baasrode VZW

De vereniging ressorteert onder het gerechtelijke arrondissement Dendermonde (KBO-nummer 0420.511.430, IBAN BE37 0011 3713 3828)

De VZW heeft tot doel een permanent museum uit te bouwen in Baasrode, meer specifiek het levende en multifunctionele museum bij uitstek zijn dat gewijd is aan de traditionele houten en metalen scheepsbouw voor de binnenscheepvaart.

Nieuwsbrief